Waarom heeft Italië zoveel inheemse druivenrassen?
Als je weleens door onze webshop scrolt, valt het misschien op: Italië zit vol druiven waar je nog nooit van hebt gehoord. Arneis, Zibibbo, Cortese. En dat is nog maar het begin.
Hoe komt het eigenlijk dat Italië zóveel eigen druivenrassen heeft? Het antwoord ligt in geschiedenis, geografie en een flinke dosis koppigheid.
Italië was lang geen “Italië”
Tot 1870 bestond Italië niet als één land. Het was een verzameling kleine koninkrijkjes, stadstaten en regio’s. Toscane was Toscane. Piëmonte was Piëmonte. Sicilië was Sicilië.
Iedere regio hield vast aan zijn eigen tradities, eigen recepten en dus ook: eigen druiven.
Er was weinig uitwisseling. Boeren bleven in hun streek. Kennis bleef lokaal. Wijnen werden vooral in de regio zelf gedronken. Geen export, geen internationale competitie, geen reden om je aan te passen aan “de markt”.
Het resultaat? Elke regio ontwikkelde zijn eigen druivenrassen en wijnstijlen. Met een uitgesproken eigen karakter.
Geografie: van Alpen tot vulkanen
Alsof die geschiedenis nog niet genoeg was, heeft Italië ook een enorm geografisch voordeel.
Het land loopt van de Alpen in het noorden tot de zonovergoten kust van Sicilië in het zuiden. Bergen, heuvels, kustlijnen, vulkanische bodems rond de Etna, kalkrijke hellingen in Toscane, mistige valleien in Piëmonte.
Dat betekent:
-
verschillende klimaten
-
verschillende bodems
-
verschillende hoogtes
-
verschillende wijnstijlen
Een druif die perfect werkt in de koele heuvels van Piëmonte, doet het totaal anders onder de Siciliaanse zon. Daardoor bleven lokale rassen bestaan. Ze waren simpelweg het best aangepast aan hun eigen stukje Italië.

Van massaproductie naar kwaliteit
Lange tijd draaide het in Italië vooral om volume. Tot ver in de 20e eeuw werd er veel wijn gemaakt voor lokale consumptie of als bulkwijn.
Pas in de jaren 70 en 80 begon de grote kwaliteitsrevolutie. Jonge wijnmakers gingen studeren in Frankrijk, Californië en Australië. Ze namen kennis mee naar huis, maar ze lieten hun eigen druiven niet los.
Namen als Antinori en Gaja zorgden voor modernisering. Er kwamen betere technieken, strengere regels en meer focus op terroir. Internationale druiven als cabernet en merlot deden hun intrede, maar bleven meestal bijrolspelers.
Wat betekent dat voor jou?
Voor ons bij Jeletvin is dit precies waarom we zo graag met Italiaanse wijnen werken.
Neem bijvoorbeeld:
Dat zijn geen wereldwijde massadruiven. Dat zijn druiven met een identiteit en een verhaal.
En juist dat maakt het zo leuk om ze te ontdekken.





Deel:
Je eigen wijnproeverij organiseren? Zo doe je dat.
Oude wereld vs Nieuwe wereld